Mevrouw H.

Een paar dagen geleden was ik bij mevrouw H. op bezoek. Haar huisarts maakte zich zorgen omdat hij haar aantrof met een badmutsje op haar hoofd en het leek alsof er geen eten in huis was. 

Mevrouw H. pakte de telefoon niet op toen we haar probeerden te bellen voor een afspraak. We zijn er na een paar dagen proberen maar gewoon langsgegaan. Het duurde lang voordat ze de deur opendeed. Ze giechelde toen we binnenkwamen en leek ons een paar tellen later al niet meer op te merken. Ze droeg een plastic badmutsje dat ze elke keer op zou hebben tijdens onze bezoeken, omdat ze haar haren niet vies wilde maken zoals ze zelf zei. De televisie en radio stonden tegelijkertijd aan en mevrouw H. kletste vrolijk terug tegen de stemmen. Ze rommelde wat in haar kamer en verplaatste spulletjes van links naar rechts en weer terug.

Mevrouw H. bleek een ernstige vorm van dementie te hebben waardoor ze zelfs niet meer goed de werkelijkheid van tv en radio kon onderscheiden. Ze wist nooit waar ze was, kon bijna niet meer met ons communiceren en kon ook niet meer goed voor zichzelf zorgen. We hebben een dementieconsulent ingeschakeld om mee te denken en in de loop van de weken hebben we geregeld dat er dagelijks thuiszorg kwam, maaltijden werden bezorgd, haar vitaminetekort werd aangevuld, en het gas werd afgesloten. Een bewindvoerder is haar financiële zaken gaan regelen. Er bleek helemaal niemand te zijn die bij haar betrokken was, geen familie en geen vrienden. Dus niemand kon ons vertellen hoe ze altijd haar leven had geleid. Alleen de buren vertelden ons dat ze altijd heel sociaal bewogen was en graag van alles voor haar medeflatbewoners organiseerde zoals biljarten.

Wat moeten we nou doen? Mevrouw H. is extreem alleen, maar lijkt zich niet eenzaam te voelen. Er gebeuren geen gevaarlijke dingen; ze kan geen brand veroorzaken, we zorgen dat ze goed eet en medicijnen krijgt die ze nodig heeft. Ze loopt niet te dwalen in de nacht en blijft altijd binnen in haar huis. Het enige dat kan gebeuren is dat ze valt en we haar dan pas na een aantal uren zullen vinden. In een verpleeghuis zou ze ook kunnen vallen en dan zijn we eerder bij. Maar is dat voldoende reden om haar naar een verpleeghuis te laten verhuizen? We vinden toch van niet. Wat we veel lastiger vinden, is om in te schatten waar ze het het beste heeft; thuis in haar eigen flatje met haar eigen spulletjes of in een omgeving waar ze mensen om zich heen heeft, zoals vroeger? We kunnen het haar zelf niet vragen, en er is niemand om het aan te vragen.

Mevrouw H. is zeker niet de enige patiënt die we kennen in een dergelijke situatie. Ongeveer een derde van onze patiënten heeft één of geen mensen meer die betrokken bij ze zijn.